Mijn profiel

gebruikersnaam wacthwoord
> Wachtwoord vergeten > Registreren

U kunt gratis gebruik maken van de handleiding. Maak gebruik van de knop registreren om uw persoonlijke account aan te maken. Uw gegevens zijn dan beveiligd en alleen u bepaalt wie er rechten krijgen om in uw account in te loggen.

Realisatie: TiDi Graphics

Bijlage 3: Toelichting Ruimtelijke Onderbouwing

Navolgende tekst (bron: Gemeente Sluis) geeft de inhoud weer die in een goede ruimtelijke onderbouwing in het kader van vrijstellingsprocedure ex artikel 19 WRO dient te worden opgenomen.

VRIJSTELLINGSPROCEDURE EX ARTIKEL 19 WRO:
EEN GOEDE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING.

Hoofdstukopbouw

  1. Inleiding
    · Doel van de goede ruimtelijk onderbouwing.
    · Inhoud.
  2. Omschrijving project
    · Ruimtelijk.
    · Functioneel.
    · Initiatiefnemer.
  3. Vigerend beleid.
    · Vigerend beleid rijk, provincie en regio.
    · Vigerend gemeentelijk beleid.
    · Geldend bestemmingsplan en bestemming.
    · Verleende vrijstellingen.
  4. Toekomstig beleid.
    · Rijks-, provinciaal en regionaal beleid.
    · Gemeentelijk beleid.
  5. Ruimtelijke onderbouwing project.
    · Planologische onderbouwing.
    · Resultaten relevante onderzoeken.
    · Beschrijving gevolgen project: 
        Stedenbouwkundig 
        Landschappelijk 
        Verkeerskundig 
        Archeologie/Monumentenwet 
        Flora- en Faunawet 
        Vogel- en Habitatrichtlijnen 
        Watertoets 
        Drank- en Horecawet 
        Overige relevante wetgeving
  6. Milieuaspecten project
    · Geluid.
    · Bodem.
    · Zonering.
    · Wet milieubeheer.
    · Besluit luchtkwaliteit.
    · Externe Veiligheid. (BEVI)
  7. Belemmeringen project.
    · Kabels en leidingen.
    · Privaatrechtelijke aspecten.
  8. Motivatie vrijstelling.
    · Toets project aan toekomstig beleid.
    · Afweging belangen.
    · Conclusie.
  9. Economische uitvoerbaarheid.
  10. Resultaten overleg met andere overheden en instanties.
  11. Inspraak (maatschappelijke uitvoerbaarheid).
  12. Bedenkingen

Toelichting per onderdeel

1. Inleiding

Een korte omschrijving van de huidige situatie gevolgd door achtergrondinformatie van de vernieuwings- c.q. uitbreidingsplannen. Tot slot volgt een ruimtelijke en functionele beschrijving van de vernieuwings- en uitbreidingsplannen (inrichtingsplannen, de functies landschappelijke inpassing, verkeersontsluiting en parkeerfaciliteiten). Hierbij kan worden verwezen naar het bijbehorende bouw- en inrichtingsplan.

3. Vigerend beleid

De relatie met het geldende bestemmingsplan wordt omschreven. Zonodig kan worden verwezen naar relevante onderdelen in de plantoelichting. Ter illustratie kan een kopie van de plankaart worden bijgevoegd.
Visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied: hier moet worden aangetoond waarom het project past binnen de toekomstige bestemming van het gebied. Eventueel kan verwezen worden naar de bestemmingsplantoelichting. Wellicht zijn er relevante gemeentelijke of provinciale beleidsnota’s waar bij kan worden aangesloten.
Op provinciaal niveau kunnen tevens aanwijzingen worden gevonden in het streekplan/ omgevingsplan. Indien vooroverleg over een ontwerp bestemmingsplan reeds heeft plaatsgevonden, dan kan worden verwezen naar de resultaten van het gevoerde artikel 10 Bro-overleg met de PPC. Op provinciaal- en waterschapsniveau vindt ook de afstemming plaats tussen plannen van waterschappen met provinciale en gemeentelijke waterhuishoudingsplannen.

4. Toekomstig beleid

Onderzocht moet worden of het project in strijd is met het nationaal ruimtelijk beleid. Dit kan worden getoetst aan richtlijnen of PKB’s. Om inzichtelijk te maken hoe het project wordt opgenomen in het toekomstig bestemmingsplan, kan een stedenbouwkundige inrichtingschets of een concept plankaart met bijbehorende voorschriften worden bijgevoegd.

5. Ruimtelijke onderbouwing van het project

De stedenbouwkundige ruimtelijke effecten van het project op de omgeving kunnen worden toegelicht aan de hand van een motivering van de locatiekeuze, een inrichtingschets (wat zijn de verschillende functies en afmetingen van de bebouwing), een verkeersplan (ontsluiting, parkeerfaciliteiten, enz...) en een plan voor de landschappelijke inrichting.
Er moet worden ingegaan op de watertoets. De watertoets is sinds 3 juli 2003 wettelijk verankerd. De watertoets is een instrument dat moet worden meegenomen in de afweging en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Zo ook bij de vrijstellingsprocedure ex artikel 19 WRO. In de ruimtelijke onderbouwing moet worden aangetoond welke aanpassingen en voorzorgsmaatregelen zullen worden genomen zodat er geen nadelige gevolgen te verwachten zijn voor de waterkwaliteit en kwantiteit in het gebied. Het is wenselijk dat een initiatiefnemer de waterbeheerder in een vroeg stadium bij de planvorming betrekt. Zij kunnen dan in een vroeg stadium afspraken maken over de te volgen werkwijze en de inhoud van de watertoets. In overleg kan een programma van eisen worden opgesteld. In dat kader dient dan ook in de meeste gevallen een rioleringsplan te worden opgesteld.
Onderzocht moet worden in hoeverre de Monumentenwet en de regelgeving archeologie van toepassing is.
Ingegaan moet worden op de Flora- en Faunawet. Per 1 april 2002 is de Flora- en Faunawet in werking getreden. Deze wet heeft als doel een aantal inheemse dier- en plantensoorten te beschermen. Handelingen die schadelijk kunnen zijn voor deze dier- en plantensoorten zijn verboden. Het is zelfs verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te verontrusten. De uitvoering van deze wet berust niet bij de gemeente, maar bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV). In de wet is bepaald onder welke voorwaarden en t.b.v. welke belangen ontheffing van de verboden kan worden verleend door de minister van LNV. Het aanvragen van een ontheffing is geen taak van de gemeente. De Flora- en Faunawet heeft voor m.n. bouwplannen zeer ingrijpende gevolgen. Het is aan de initiatiefnemer om te informeren bij het ministerie van LNV of een ontheffing in de kader van de Flora- en Faunawet nodig is.
Op de site www.natuurloket.nl kan per gebied worden opgezocht of er beschermde planten of diersoorten aanwezig zijn. In de ruimtelijke onderbouwing moet eveneens worden ingegaan op de Vogel- en Habitatrichtlijn. Relevante informatie is te vinden op www.natuurloket.nl. Als achtergrondinformatie het volgende. De Vogel- en habitatrichtlijn zijn beide Europese richtlijnen. Het doel van de Vogelrichtlijn is het bieden van bescherming en ontwikkelingsperspectief voor leefgebieden van zeldzame en bedreigde vogelsoorten en bescherming van alle vogelsoorten. De Habitatrichtlijn is gericht op de instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna. De gebiedsbescherming is d.m.v. beide richtlijnen vastgelegd in een aanwijzing van speciale beschermingszones. Voor ieder project of plan in of nabij een speciale beschermingszone kunnen de bevoegde overheden pas toestemming geven op basis van een passende beoordeling nadat zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken en/of soorten van het betrokken gebied niet significant aantast. Wellicht zijn er nog andere aspecten van toepassing, zoals de Drank- en Horecawet, of dient er ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap. Indien dit het geval is, dient hiervan melding gemaakt te worden.

6. Milieukundige aspecten

Ruimtelijk relevante milieu-aspecten kunnen worden ontleend aan een bodemonderzoek , (eventueel) een milieu-effectrapportage en aan vergunningen ingevolge de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder. Indien sprake is van bodemverontreiniging dient ook een eventueel bodemsaneringsplan meegenomen te worden.

7. Belemmeringen project

Hierbij dient te worden ingegaan op de eigendomssituatie, het aanwezig zijn van kabels en leidingen, en andere privaatrechtelijke zaken.

8. Motivatie vrijstelling

Beoordeling of het project past binnen de toekomstige planologische inzichten van rijk, provincie en gemeente.

9. Economische uitvoerbaarheid

Een financiële paragraaf wordt toegevoegd teneinde de financiële haalbaarheid van het project aan te tonen.

10. Resultaten van overleg met andere instanties, inspraak en bedenkingen dienen verwerkt te worden in de ruimtelijke onderbouwing.